|
|
April 13
IN WATER
Nu lucht het grijsblauw heeft doodgevroren, met striemen hagel de kwakkelzomer verjoeg, er een daglang deken dunne sneeuwkristal op spreidde, is er lente onder de bomen: kleur na grauw.
Hoor: meerstemming tussen ’t loof van fluitend kruid de maartse violen, ze ruilen klanken met de merel die nu nog zingt een eigenzinnig intro aan zijn lied en ‘k zoek herinnerde herkenning in de klinkers.
Ik zei haar: “…dromen zijn bedrog.”
Zij, ze lachte: dat ik dit nu reeds mag weten na al die jaren. En ook nu weet ik niet meer dan dat er licht vervroren gras nog ligt in vroege morgen.
Ik denk: “Waar is het kind in haar.” Zie, waar zij niet zien kan door mijn ogen. Zo buiten zo binnen, kuis ik af m’n stof, slik al mijn woorden, gebaar alsof de leegte vol is, al zijn het eigenlijk allen losse halen.
Ze zegt: “Ik hoor een wolf in jouw!” Eén klinker nog laat monotoon zich herhalen, zoemt dat ‘t zien vergaat. Hoewel: vandaag zag ik een baksteen huis, dat geen huis is, zomaar te water staan.
 April 02 De Vlaamse Ardennen 2 maanden (juli en augustus) ondersteboven
De Vlaamse Ardennen 2 maanden (juli & augustus) op zijn kop
Meer uitleg: http://www.vlaamseardennenondersteboven.be
Het promofilmpje: http://www.youtube.com/watch?v=zA604uftRgk
Ondersteboven?
Jazeker! Beleef Ronse en het natuurparadijs rondom Ronse op een linxe wijze. Het is meer dan een toeristisch aanbod. Het is een amusante kennismaking met ons industrieel verleden. Ooit gedacht dat je tijdens een louteringsparcours oog in oog met de zot van de fiertel komt te staan, het symbool van Ronse? Ooit gedacht dat je in het vel van de Vlaamse mijnwerker kruipt om langs het mijnwerkerspad op stap te gaan naar een job in Wallonië?
De EXPO ‘Vlamigrant’ als hoogtepunt en uitvalsbasis.
Een beklijvende tentoonstelling over de Vlaming als migrant. Vraag naar een gids. De vele verhalen maken de prachtige beelden en teksten zoveel rijker. Trek tijd uit voor de expo en vergeet je kortingsbonnen niet voor de andere bezoeken.
Vertoeven in een natuurparadijs en adembenemende Art deco ontdekken.
Voor elk wat wils. Lange of korte tochten. Te voet, met de fiets, de bus of de auto. Eén of 20 parcours. In de natuur of met focus op de architectuur. Enkel de startdag of twee maanden lang. Beleef de Vlaamse Ardennen thematisch. Het maakt de uitstap zoveel interessanter. Sla achterover van de mooie Art deco en vergeet de uitstap niet naar Notre-Dame à la Rose, een perfect bewaard middeleeuws gasthuis.
Kids, vergeet je zelfgemaakte pijl en boog niet!
Kinderen krijgen een aparte gids. Met Rosalie doen we speurtochten. Daarna brengen we zeker een bezoek aan Aubéchies, een Gallo-Romeinse site waar je de hele zomer lang in de voetsporen van Asterix en Obelix kan treden. En vergeet niet om je kinderen terug mee te nemen naar huis.
De startdag en dan twee maanden (juli & augustus) lang.
Ons toeristisch aanbod wordt in alle glorie aangeboden op 28 juni, onze startdag. Dit betekent dat alle evenementen op die dag voorzien zijn van animaties, gidsen en begeleiders. Alle attributen kunnen op die dag worden gereserveerd, inclusief de bussen die ingezet worden voor specifieke uitstappen. Reserveren is de boodschap. Na de startdag kun je de meeste attracties op eigen houtje doen. Alle nodige info vind je op deze website of kan je verkrijgen in onze expo De Vlamigrant.
Exclusief: wie naar de expo komt, heeft onmiddellijk recht op kortingsbonnen voor diverse musea in Ronse en wijde omgeving.
De Vlaamse Ardennen Ondersteboven tijdens de zomermaanden:
Tijdens de zomermaanden juli en augustus, van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 12u en van 14 tot 17u. Gesloten op maandag. Start van alle activiteiten: expo Vlamigrant, CC De Brouwerij, Priestersstraat 13, Ronse
Enkele foto's genomen tijdens de opbouw




Vooropening EXPO Vlamigrant 19/06/09:

      
March 21 DOORNROOSJE
In het midden een andere realiteit te betreden, er rond de slotgracht, het glazen muiltje aan de kant verloren en het kasteelpark met doornen ervoor: ondoordringbaar voor een veel te tere huid. Iets verderop, het huis ooit eens bedoeld voor rust, een rusteloos alsmaar bouwen aan het verbouwen: enkele eeuwen van her naar der versjouwen. Nooit kan hier nog iemand wonen.
In het midden een andere realiteit te betreden voor wie ‘t zien kan, dezelfde maar zeker een ander - geen woorden te kunnen vinden - een kwakende kikker een andere taal te leren spreken.
-{Eergisteren één van de tuinen laten zien. Jij zeer liefelijk daar middenin gezeten: leer ik je ooit nog met die dieren te spreken ? De boze gans, ze siste bang: “neen!” Ik dacht dit niet zó te willen. Met broedse ganzen is bijna nooit te onderhandelen. Ik zei met mensenwoorden, maar dan nog anders en later: “Vanaf een zeker moment ben je nog maar bovenal om te geven, jij heden voornamelijk om veel te nemen.” Wil jij mij breken of breken? In mijn schelp: een oceaan aan tijd altijd.}-
Hier slaapt bijna alles voor honderden jaren. En jij zo zonder woorden, zo zonder namen, hoe zullen we dit ooit gelaten kunnen verlaten?
In het midden een andere realiteit te betreden toen zij mij vele namen begon te geven - zo zijn er toch geen toevalligheden meer in dit leven - mijn honderd zielen benoemde en “ik vertrek op proef:” zei zij - ze zei: “voor vijftien jaar” ik: “dit is dan bijna voor eeuwig” zij: “bijna” ik: “voor eeuwig” - vond ik terug de vertrouwde schelp om me als onbereikbaarheid diep in te weg te draaien: zal ik hierin of hieruit ooit breken of breken ?
In het midden een andere realiteit te betreden, hoe je toen met ’t kasteel en al geheel verdween: met een zee aan ruimte om te wonen.
Gisteren aan het strand, grens aan zee, tussen de duizenden witte kleppen van schelpen als sterren: een schoen, botte duindoornen, waar golven hard op slagen. - Bij vloed jouw naam, bij eb haar naam –
Hoe zwaar is zo’n verdwenen kasteel om dragen: zullen we breken of zullen we breken?
Plots een plons in water:
February 22
PARK VAN STAD EN STEEN
Ze gaat met de stille klinker,
met twijfel in de medeklinker,
met reeds enige rug in aangezicht.
Ze heeft sprekende woorden
in haar keel gebroken, kijkt heden
met toekomst in verledenheid.
Deze dag die net zo als
gisteren begon, gekleed in herhalen
met de beste woorden voorgenomen:
-ze verlaat een huis van binnen, van buiten
van vroeger bewaren de toekomstigheid in.
Ze heeft nu niet haar beste woorden aan,
zie ik aan het gebaren-
hoe zo.
De huizen staan roerloos, de straat beweegt:
ze gebaart in stilte door bomen en bladeren.
Wind valt in water, lost op de beelden: wast.
“Een park, een bos, de verre Ardennen:” denk ik.
Ze kijkt recht aan recht toe, haar spreken neemt
ruimte in: buiten en voornamelijk binnenin
waar tussen water cirkelt, uitstroomt naar
't huisje hoopvol in restauratie zoals we altijd zijn.
Ik kus vaarwel en tot ziens,
net voor het zien van waan
door de spiegel van glas van nu juist
die nog maar eens veel te volle maan,
rechtstaande boog op de heuvelbaan,
en wil dat ik wou rechtsomkeer mogen
naar waar ze verdween achter glas.
Is het dit waar een huis om draait
naast het park van stad van steen?
Soms
van diep van wonen:
ik herken een houding van de hand,
één voet lichtjes naar buiten.
Een danseres denk ik: één op één touw
met enige rug in aangezicht.
October 28
VIRTUEEL
I
Een kosmos ruimte wordt in tijd geboren.
Breekbaar leven gewild, is de vloeiende vorm:
een tijdelijke voortdurende strijd manifestatie
in een fenomenaal landschap geschapen.
In nette rijen angst bedacht, zingen de naamhebbenden de naamlozen weg.
In het altaar van de denker, deelt elk beleven zich in, in herhaling herbeleven:
religie binnen de limiet van de schedel:
een harde koepel verzegeld gewelf,
waarbinnen de schepper schept
een eigen woonst van leven,
gevoed met zelfgeknede kracht.
En zijn geloof wordt in ordelijke
vakjes onbenul opgedeelde realiteit.
Daarbuiten is het altijd donker en leeft de angst van de dood van het leven, zijn eigenzinnig eenzaam zijn.
II
Neon -lichtreclame: gekleurde witte koppijn woorden, zijn geen woord waard. De vlucht: weg van de overrompelende veelheid beelden buiten, weg naar de chaos indrukken binnen. De TV staat altijd aan te klagen.
Familiaal wordt het leven op afstand bediend met een doosje zapapparaat: van Wendy naar Wanten van Bompa naar Lawijt.
Ze zingen zo allen 't zelfde lied. De enige afwisseling zit hem in 't snoepje reclame, 't worstje tussendoor. We zullen allen de worst wezen en voelen ons in de soap van het allergrootste belang.
De moeder sterft haar langzame dood in klagend janken, wanneer 't beeld in en uit haar oog verdwijnt. Ook Bompa Lawijt zijn dagen zijn geteld. Met kijkcijfers leven wij zijn doodsstrijd mee. De moeder crepeert uiteindelijk in alle stilte. Na het klagend janken komt het zachte kermen. Het oog dooft in brak water. De orgastische laatste klank na 't ritmisch zuchten, ging de ondraaglijke stank vooraf. Wat leeft en went, is de geur van dode ratten, links achter het doorgezakte canapé. HIFI is bijna reukloos met een laagje ozon eromheen. Ze voeren Bompa geurloos af, naar 't door bloemen omzerkte graf. We zullen nog lang huilen, wij de hongerwolven.
III
De kleinstad heeft zo zijn eigen feesten geënt op de boom der gewoonten (een eik of een linde natuurlijk - want die blijven eeuwig).
Hoogst belangrijk loopt de zwaar opgemaakte politiekkandidate gemaakt schoon te wezen met haar zondagsvestenman het kinderfeestje binnen. Even wordt er naar dit programma gezapt en ingezoomd. De man straalt stotterend en vindt ijdel niet de juiste woorden, nooit de woorden - de woorden niet geleerd. De vrouw houdt handig hoog op been de schijn in balans. Een naamloze glimlach scheurt een barst leugen vrij in de fond de teint. Vanaf de voeten tot hoog aan de lippen split het kleed zich in vrij zwart verval. De kinderen zappen zich terug het kinderprogramma in en zijn zich van geen kwaad bewust - nooit bewust, nooit kwaad geleerd bewust. Volwassenen, niet volwassen geleerd, sterven een stukje af: door begeerte misleid, zijn ze zich van geen demagogisch kwaad bewust. De rond en fel opgebolde tweelingkankers leiden hun brekende blikken af. En ze zappen en zoemen in en krijgen nooit hun beelden scherp verbeeld verlangen. Hypnotisch blijven ze de likkende lippen, de zuigende mond, de dansende moederborsten nagapen, terwijl 't beeld langzaam door zijn uit zichzelf geboren snelheid vervaagt. Haar stemmen stijgen, ze worden rood gemerkt met kijkersbloed -het verbond-.
IV
's Morgens, zo rond 8u.30 winteruur, zapt de werk-TV aan, rond 17 uur sluit hij af het denken. Zelfs 's middags blijft hij, beeldloos dan, onheilspellen doorzoemen.
't Eerste werk van de leeghoofdige secretaresse is het pluggen op de zapknop van de werk-TV. "Good morning", luiden de eerste synthetische morgenklanken. De ingebouwde timer timed altijd exact de ingedeelde ruimte vogeldood (een dinosaurus is een gepluimde vogel die op 1 minuut uitstierf), en limiteert elk gedacht monddood. Zinledig zapt de breedoogomwalde gebruikssecretaresse de programma's af en leeft haar vertrouwde kinderen, terwijl het muisje onrustig over het synthetische matje schuift. Gewillig leeft de secretaresse mee met de dans van het pijltje, met de kleine ingeslopen restfoutjes -nooit zijn kinderen volmaakt- en herstelt haar kinderen soms handig, soms nooit. Het eigenlijke werk, het intypen van 't banale bijkomstige tekstje, gaat gepaard met vele magische rituelen. De files, de indelingen en allerhande hoogst interessante symbolen lichten op, verdwijnen en dansen chaotische sterrenbeelden over het scherm.
Fier sluit 's avond de gebackupte secretaresse de dag-TV af. Alle bewerkingen zette ze save op het kleine stikje: het geheugentje van één dag, het nouminaal gedane, het nooit of nimmer ontstane -, altijd in schijn bedachte machinale realiteit: virtueel.
Zonder enige herinnering stroomt de gedachteloze secretaresse gewillig mee met het rijverkeer, recht op weg naar de avond-TV, haar enig alternatief echt leven, virtueel na dit leven.
V
De terug naar af man stort zich met dvd-ogen het woelen van de indrukken in. Sterk in 't zappen van hier naar daar en uit en aan in elk non-verband, wint de man elk virtueel leven.
"En 't leven blijft een spel geschapen chaotische non-verbanden: leeghoofdige breedomwalde secretaressen met splitrokken van enkels tot lippen in nauwsluitende zondagvestenmaatpakken, dansend éénbenig de tango op 't ritme van de boléro, terwijl hun voor politiek geschapen grijparmen afvallen in felrood, afgehakt door de middernachtelijke ninjaboy met de lange gevlochten blonde haren en het blanke lichtjes gekromde orgastische zwaard, en de nimmer voor kinderen dienende moederborsten hijgen pijnlijk zwaar en planten zich kloonend voort tot genetisch gemodificeerde beeldvullende melkwegen, waarin de terug naar af man zuigend stort met plasmaogen en zich vastbijt met de stinkmond van rotte ratten".
Op de aanhoudelijke aangehouden toon van 440Hz slaan tenslotte alle stoppen door. Een kosmos ruimte wordt virtueel in tijd geboren.

September 02 IN DE PLOOIEN VAN DE NACHT
In de vouw van de vrouw, de plooi van de nacht, wacht ’t glooiend lijf op de kracht van ’t voltooien.
Poesmooi plooien de dromen om de enkels heen, en we buigen tijd rond gedachten.
June 06
Het woord: het schijnbaar zijn
van de schijn de dubbele negatie
... zoals wachtwoorden
woorden zijn die wachten.

May 26
BIJNA IJLER
Was het één dag later of kwam ook dit net als de rest onopgemerkt? Herinneren werd een weten. Eerst was alles nog zo, nu is haast alles anders.
Wil ik zandkorrels in je poriën tellen: in elk een leven tekenen, altijd anders belicht.
Worden herhaaldelijk op wind woorden geboren in lagen kleuren, voor elke dag één.
Wil ik vandaag vandaag zijn een bijna boom, een nabij blad en herfstig in wind waaien zo in een bijna tijd van weinig naar veel en ijler ...
Wil ik dan als zandkorrel in je huid en vliesvleugelen ook zonder woorden en met.
April 23
Wat vervaagt,
Wat vergeten vernieuwd herinnerd geraakt met nieuwe woorden:
Strelen is soms net niet slaan,
liefde geven een net niet nemen.

April 21
taal is
soms zoiets onvoorspelbaar zoals je er omheen gaat dan onvoorstelbaar nochtans: van beeld naar taal, van taal naar beeld: twee keer geboren worden bijna simultaan
- net niet –

February 02
ARGONAUTA
Draaien om –om en om tot de as van gedachten dieper en verder tolt;
Dieper, maar verder spinnen de gedachten volgens patronen van schelpen. Hun groeien is zich winden in kolkende zeeën tussen eb en vloed.
Eb en vloed: je vloeit mee van af en aan van onder en boven, van oefenen in paren van alsmaar oefenen in ’t paren tot één.
Paren en groeien in meester zijn van ’t spel van groeien, groeien in de argonauta, gebogen in curven: de kromming van de rug(gen) rond de kern, die afrolt – oprolt (opwindt – afwindt) van binnen naar buiten en binnenstebuiten – buitenstebinnen,
op ’t ritme van eb en vloed vloed en eb, van aan en af van vol en leeg.
Vol en leeg: de spiegel is een gladgepolijst vlak vol beelden van beelden (van beelden): en ik verbeeld me te zien.
Te zien: een droom -droombeeld een schijn -schijnbeeld een ding -dingbeeld een schim -schimbeeld een gedachte -een denkbeeld, …
(wanneer ik me omdraai is de spiegel leeg).
Ik denk me vol -gisteren –vandaag: tot vol gedacht al gedacht tot gedachten, gedachten van gedachten zijn; die ene gedachte wordt het leegbeeld op de as van de tol.
Spil van de tol: je was de boom, het blad, de bloem, het ruisen van de zee, het kabbelen van ’t meer.
De argonauta draait zich dieper langs zijn spiraal. In zijn afgesloten broedschelp ziet hij beeldloos: - de boom, het blad, de bloem, het kabbelen van ’t meer op ’t ritme van eb, van vloed.

January 26
KINDEREN VAN ZAND
Ze landen, de kinderen van het zand. Ze landen, in ’t zand. Zie! De kolken wuiven golvend tegen het duingras. Spring! ’t Is vloed en de gloed van zon warmt achter blinde nevelwolken.
Waar is het zicht, als alles grijs is? Dan ziet men met oren en spreekt de taal van stille woorden: van droog zand dat schuurt, schoorvoetende scheurvoeten.
Waar is de tong voor ’t woordloos praten? Ze ligt diep geborgen in de krul van haar schelpenmond.
Het voelen: de wind is het die tast, de haren doet wuiven, die voeten doet schuiven, verder … Waarheen?
Waar is de stad, de woning om te wonen? Nu alle vijvers sterven blijft men eeuwig zwerven, zoeken, naar zijn rust.
Waar is de hoop? In stenen kelders, hard, waar men met marmeren oren kan spreken: sterke maar breekbare gemarmerde woorden.
Waar is de warmte? Ze zoekt, zoekt een inweg in de kinderen van zand, op ’t strand, waar eeuwig - eeuwig? - golven kolken, tegen wat duingras was.
 December 12
Geen verschil van dag en nacht
Nog voor de ochtend beginnen aan de morgen. De weide, fris en blauw in groen ochtendlicht, staat schijnwerkelijk zilverhelder van weinig zijn bewust. Geslopen uit het nest van de warmte rest nog een flard, hier en daar van dit en dat, zodat het mogelijk wordt ook dit landschap aan te vangen. Te ver reeds ben ik uit dit lichaam getreden.
Achter de tuinhaag staat het huis omsloten, niet meer zoals eens, eerder vernieuwd hoewel ik dit niet helemaal kan vatten. Daar huilt het kind achter de afgesloten deur, het kan geen doorgang vinden. In de diepte van dit veel te grote wonen zit jij, heel klein, lethargisch af te wachten. Het kind plots spoorloos en vergeten. Is het reeds verloren? Haast kan ik in jou me de moeder niet
voorstellen, nooit geleerd de moeder in jou.
Aan d’einder ligt de verlichte boot, voor de oversteek op donker water. Deze nieuwe nacht delen we samen met zalig zaliger en al wat heden leeft. Transparant, er blijft steeds die niet te doorziene afstand, leven ze met ons, naast ons, een bijna leven Reeds spreken ze onze taal niet meer en jij gebruikt ook al andere woorden. Vertrouwd haar geur van haar, het trillen, om daarna langzaam tot rust te komen.
Aan het overland is er terug tijd die we krijgen. Ik kijk je aan, beweeg los door jou, los door mij. Geen spreken is nog nodig. Tijd strijkt snel voorbij en ’s morgens, tegen negen, ben ik te laat, ben ik bewust te laat gekomen. De weide, fris en blauw in groen ochtendlicht, ligt voor het purperen water onwezenlijk te schijnen. Ergens schreit een kind de moeder wakker. Mijn dag moet ik nog maken.

March 04
Guislain
Herhaaldelijk herhalen ze zich in zwarte laat negentiende-eeuwse rokken en frivole paarse kantzoom hoedjes aan, vastgestrikt met dichtknijpkoordjes. Ik hoor het moeizame van ademen en praten, het smachtend versmachten, zie de ritmisch gestikte draadjes kruisje na kruisje bijten in de nu onbruikbaar geworden zakdoek: sperma avondvod van de heimelijke sierlijke verkrachter: “Jij bent het die wordt genaaid door het vlijtige meisje met rozige kousjes in zwarte klompjes aan.”
Aan de overkant van deze kant herhaalt zich de man in het meisje van elke leeftijd tientallen keren in opnieuw uit te proberen. En ze kijken geboeid gebonden naar de zon met een geverfd koordje er rond vanuit hun afgeslote ruimte.
“Hak jij je een weg door mijn verhaal,” vraag ik. Jaren terug kocht ze een tropen- machete. Maar dan moet er wel eerst echt lente zijn … “en de winter, die dit ene jaar nooit wou komen?” In januari zag ik reeds menig rode kevers kruipen uit de bomen.
Ze zou niet zijn, wist ze reeds met ruimte in deze tijd. “Moe zou ik zijn geweest:” verhaalt ze twee dagen later. Ze leeft met even twijfel tussen halve open deuren: zegt met half gesloten ogen ja noch nee. Daags nadien win ik van haar de kleine zwarte tovenaar uit een geel toverdoosje “om je toekomstigheid te bezweren,” zegt ze, nu ons huis vergaat, de tuin verwelkt.
Zij: ze blijven, even nog, kinderen in meervoudigheid, die ik dag na dag verlies met leeftijd van reële wereld. Herken ik de moeders voornamelijk uit hun dochters van heden. Dat is zo met leeftijd van jaren, met herfst na lente, de zomer voorbij. Dochters, herkennen mij niet, daar zij geen weet hebben van hun ware moeders. Ze verhalen niet.
’s Nachts ben ik waker over onze gemeenschappelijke dromen. “Dat mag je niet doen:” zegt ze, en ook iets over “haar te beloven.” Terug zie ik al dat rood en paars voor mijn ogen, duister aan de einder. Voel de verpulverende kracht in de palm van mijn handen. Een niet waarachtigheid te geloven? Ons verloochenen? Al wat breekbaar is, bewaar ik diep in de mond, onder de tong waar klanken ontstaan. Ook deze nacht zal ik zoemend zingen naar de maan, hun ware namen herhalend herhalen. Nooit was het anders, nooit anders zijn geweest, noch zal zijn geworden. Vervoegt mijn herwonnen tovenaar tijd met woorden: altijd.
Zoals een luie visser haal ik kracht uit stilstaand water. ”Jullie daar, wat kunnen ze ons eigenlijk maken,” daar we reeds jaren terug onszelf uitdachten om onder deze zon te schijnen in onze uitgevonden werkelijkheid. Alle kleuren krijgen vaste vormen “ en jij, je spreekt reeds mijn taal!” uit het kleine gele toverdoosje. En zij, ze schrijft zwart en wit en beweert roze, daar ze roze zag.
Daar ligt lasagne in een diep bord versierd bij slierten verdronken in woorden in de schijn- taal van mondjesmaatjes. Rechtover haar: een huis met tuin op het bord versneden met vis ernaast. Een kosmos op de tafel waar woorden wonen, gebaren verhalen. En croque monsieur: hij groet de dag, elke dag.
 January 02
Voetje van de grond
Sta ik als standbeeld aan het standbeeld van de stad blauwblauw ademnaar te wezen met verdoofde ogen en het eenmalig bloempje maagdenpalm in de hand. En jij … vol onrust aan het grote stromend water tuinvrouw van wilde bloemen en zeese meeuwen, klankloze kleurwoorden gevend aan zwarte kevers met onmogelijk uit te spreken namen …
Gulzig rukt ze met geur van lente bloem na bloem, vind ik door haar de verloren waan: van klinkers vinden, een misschien zee van op de hoge toren en ook: hoe klein daar of hoe groot daar tegenover.
Leed met pijnlijntjes in een ware lach staat naast mij. Dat niemand dat ziet. Ook niet, hoe ik door haar hou van die kleine en grote “voorbij de randjes,” ook niet: hoe men wel niet ziet.
We spelen “voetje van de grond” op hoge hoogte, waarmee zij, het kind, zal winnen. “Vandaag wordt met grof op erwtjes geschoten,” zeg ik. Ze speelt bang, wil geen buit zijn met verschrikte hertenogen. Ze wijst een weg die ze verloor, nooit vond. Een bloedspoor loopt van onder naar boven, adem ademt leeg met spreken aan de mondrand. Eerst wordt alles wit dan rood en roze. Een kleur- kaart geef ik haar: dit spel heeft zij gewonnen.
“Zee moet warm zijn met wind uit het zuiden en wolken bij de ondergang, wil men daarna nog enkele sterren kunnen tellen met gloedrode wijn erbij en krakende schelpjes eronder.”
De wind waait fris uit het westen, waait zeedierenlucht, zoals ik mij dat verbeeld: verbeelde zeesterren tegen het woelig waterfirmament en een witte krijtlijnmaan in een zwarte doos getekend: “Jij, je schrijft je eigen naam” linkerhandig kalligrafisch zoals getekend je gelaat met warrige fijne lijntjes. Rechterhandig schrijf ik onze beide namen met wolken in de wolken, verlaten we deze kamer, los op met lucht, met water, met spons erover en de nacht die doolt in vele kamers.
Met verdoofde ogen speel ik “voetje van de grond” met het standbeeld van de stad. In elkeen herken ik de klank van je passen, maar zie je niet.

November 12
DE SLIJMHUID
Ik bekleed woorden met stilte ik, stilten met woorden, ‘k bedek mijn slijmen met huiden: hard zo en zacht, leef in minstens twee ruimten: één binnen en minstens twee buiten, één tijdloos en traag en minstens één tijdloos en vlug en tijdloos … loos van tijd verbinden alle ruimten zich ritmisch golvend, vlugger dan licht, trager dan de chaos ze verbindt
door gesponnen slijmbrij waarin alles drijft zoals daar is, was en nog zal komen - het voorafgaan aan sterven, voorafgaan aan geboorten
… woorden in huiden verhullende klanken, soms hees, soms scherp, soms rauw, maar veelal zacht uitgesproken vormen slijm. Ik kwijl en kots - zuur wordt ontwaken wanneer eens hun namen uitgesproken: van pijnvissen die kriskrassend waters aan stukken rijten en wrede vredige vogels die liefdevol lucht doormidden splijten - een schelpenkern met daar rond een winding leegte, het begin binnenin en zonder eind, waarin elk gedacht verdrinkt, elk gedacht ontwaakt
tot nieuwe droom geboren, nieuwe ruimte, nieuw gedacht: de nieuwe zon, de lucht, het huis, het kind, de vrouw en moeder, de man en oorlogvoerder – we zullen ze allen opnieuw benoemen, zodat we ze nieuw niet vergeten, de nieuwe huiden die slijmen bedekken: hard en tevens zacht.
Ze zijn hard de slijmhuiden meneer, broos mevrouw, zacht mijn kind: ze golven en deinen, ze groeien en kwijnen, ze ebben ze vloeien, ze zingen ze loeien. ’t Zijn de stenen die kaatsen en spreken en waters die klotsen op dijken langs grachten, ’t zijn vissen die krioelen, zo hard ook de huiden, zo broos ook zo zacht.
De dichter dicht klanken tot woorden, woorden tot zaken, zaken met grijpers die reiken, de dingen al drinkend verdrinken in de slijmhuid, onder ’t gewicht van zijn dromende dromen - zo zwart ook zo wit in de nacht.
Vlakuit kruip de huid de dromer vooruit: amoebe, los van tijd slijmt van herinnering naar toekomstigheid zijn huid rond verlangen en daden: de grens is grenzeloos onbegrensd tot voorbij de dromengrens die steeds maar wijkt en verder glijdt, voorbij en voor het leven der dingen, met chaos als gids die zichzelf alsmaar verliest wanneer ’t zoeken begint, vasthoudt aan ’t heen ’t bemint.
Ook de zeeën lijken althans onbegrensd, ze kwijnen eens gevangen door de slijmhuid.
Mijn draden gespannen, mijn daden gevangen, wakker in ’t slapen, wakend vooral en altijd – en altijd gevangen met ’t zicht op het vloeiend voorbeeld: geschonden verbonden, gespannen door draden aan de slijmhuid gebonden, golft de vlakke huid onder vermeende winden en in verbeelde zeeën, die zingen en schuiven over zanden, de stranden waar waters landen tot harde vormen en winden wit vloeien op besneeuwde bergranden: hard en koud op zacht en heet zijn de slijmhuiden die wrijvend vrijen en glijdend paren om stenen te baren: keien rolrond waar wind rond giert en zee om streelt en ze koesteren vooral zo de blinden, daar ze leven hun kinderen.
Ik zag, ik zie en heb gezien dat ik zag het zien.
Zo dromend de dromen, weg van de vormen, weg van de huiden de woorden, zo stil ook zo rustig in chaos, zo drijvend, zo vloeiend, zo golvend, zo overal en ook hier en daar wat, en ook daar, zomaar dromend in ’t wit in ’t zwart, vooral zo.
 November 05
Wit op Wit
“Kan ik je morgen met zon ophalen?” vraagt ze. “Neen:” zeg ik, “Morgen zal ik elders zonder zin zinnen spreken.”
Eergisteren zei ze: “Ook ik denk zo.” Hoezo?
We schrijven met wit op wit, water dat zich wast in water, ons de diepte in de taal van zinnen en lezen de één de ander vóór na de woorden.
Niets heeft hier zinnen. Ze zegt: “Zinnen moet ik voorbereiden.”
Gisteren te zien, hoe je dan, zonder klank, wiegt als je danst om aan te leren de zin van woorden die zichzelf tot zinnen schikken.
Daar is bewegen in stilstand, een hand die door haar streelt, geluid buiten dat zacht binnentrilt. Wil ik geen woord zijn, geen gedacht, noch spreken. Ze telt in maanden, leeft met dagen.
Woon ik aan een bijna ander einde. Daar staat nog één huis - ... verder, en dit is tevens dan ook zijn begin.
Ze zegt: “Nu ben je te laat.” Spreekt ze met tijd, draagt geen uur, mijdt het meervoudig duren.
Ze lacht. Ik zeg: “Morgen wil de maan dag worden.”
Zet ik je terug in wit tegenlicht. Zo tegen het raam aan verblindt ontspoorde lente in december tussen droefgeestig en geestig in en ook wat pijn als een soort geluk. Je zucht met bijna tranen daar doorheen. Denk maar: dit is maakbaar dus grijpbaar pril licht. Het is wit of hooguit zilver of goud in een vroege zomermorgen. Morgen zet ik mij in maakbaar licht waar ik kleuren wil begrijpen.
Ze glimlacht ”Een kleurboek:” denk ik.
Een eiland, zee vloeit er rond. Ogen herken ik aan de mond. Even spreekt ze met getijden: geeft vlug en traag aan.
Zie ik door haar dit wit blad onbeschreven. Het wat dat er op komt, - een vage vraag - twee poelen boven haar mond.
Zij is niet zij maar anders. Ze zit waar jij zat waar 'k mij breng uit gewoonte. Ze vraagt met een andere mond. Dit klinkt vreemd bekend. Ik denk: “vroeger, ...” en antwoord haar. Ze glimlacht een nieuwe vraag.
“Morgen zal ik elders zinnen spreken.” Daar ik maar klanken heb voor de dingen. Dien ik woorden nieuw te leren, benoem jij voor mij reeds morgen. Kom je terecht in één of ander verhalend verleden.
Middeleeuwse kastelen, je herkent ze aan wat niet meer is aan de halve kantelen aan de één toren nog, betreden we met statige schreden. Langs de oprijlaan die was lispelen we ons door de poort van schijn. En we bouwen met woorden vliegtuigen en ... boten uit liggende noten, naaien boerderijdieren met gebaren, omschrijven gedichten in het aanzicht van de vergeetput in oktober, met eendenkuikens net uit het ei, die amper de winter zullen doorkomen. Reeds ruik ik lente. In de donjon, nu een halve meter hoogte gevonden dankzij het grondplan, slaan we de winter over in de waan van koning, van prinses.

Weer Wolf
Jij, die ’t niet zo zeer voor honden hebt, een vluchtend uurtje, trouw in trouw, met jou wolvende wolf gewandeld.
Almaar slechter in afscheid nemen, leef ik reeds een deel ons overmorgen. Nu niet te kunnen kiezen tussen venijnig bijten of sussend kussen wolven mannetjeswolven bijna altijd ondoorknuffeld zo open, zo verscholen overstijg jij mij met kleine danspassen: ”raak mij, raak mij af, raak mij aan”
vinden we ons toekomstig terug in één of ander ver verleden, - alles reeds geregeld - Hoewel, we hadden beter kunnen …, weten we.
Vannacht weer wolf in trouw in ontrouw geen één plaats te vinden in dit huis, kruis ik vele wegen. Regen in de vacht. Ik sater mij verder harder zachter langs het klaterwater. Je geurt naar stoomafwaarts, naar zee.
Hoorde ik in de verte een wolvin met aanvang huilen? ”Raak mij. Af! Raak mij aan en af.” Ik verlicht mijn passen.
Deze nacht, (Duizend kilometer verder van ons, morgen duizend kilometer dichter, of kruis je juist?) terug in Jack’s Wolfskin te slapen goddeloos je daar te voelen, ruiken, proeven, aanwaaien, (twee keer een hoosje wind: wervel windekind)
… horen: “raak mij, raak mij af, raak mij aan,” terwijl ’t ijswater ons stroomopwaarts bronwaarts omslaand terugklatert: jij daar, ik hier … jij hier, ik daar ...
In Sud Tirol, in Transsylvanië: waar kraaien fluiten en nachten bergen verzetten tol ik me verder voorbij ’t verdwenen kasteel: terug, voorbij … voorbij, terug, niemand niet mee te nemen: op proef even te her inneren, voor ‘t vergeten een vóórzichtig uitproberen, alles opnieuw herzien: vroeger sprookje, voor ruïne, nu park met veel te vele omwegen:
bankje bij water, gras onder bomen, …, nergens nog doornen. Daar staat zelfs een aanvang tent op wonen op verdwijnen, op zijn, niet zijn. Niet zijnde zijn: hier kan van alles beginnen!

De Ademnaar
Hoe de adems jagen, met vuur, met water vechten boven d' aarde. Til op mijn ademnaar.
Worden tekens woorden, woorden klanken, klanken beelden.
Adem in je naam eerst, dan uit. Proef de klinkers, voel de medeklinker: het schommeltje in een naam van adem.
Adem ik het beeld “daar”, geeft ze me “waar” in een vraag. Een wereld waait open.
Bewaar ik haar zinnen. Worden ze beelden, die mooie woorden. Ze ademt veel innen en uiten. Ze ademt met ogen die spreken: ogen als woorden.
Ademt hij nieuwe woorden bij nieuwe beelden. Spreekt hij met nieuwe klanken. Kun je woorden terugzuigen net als lucht? Gaan ze dan achterstevoren, in spiegelschrift? En wat met hun beelden?
Ze kan wel goed praten: met haar lichaam haar beelden uitverbeelden. Ze lost ze bijna nooit.
Soms passen niet de woorden, noch de beelden ... zo ook de ademnaar.
Ademt hij gedroomde beelden, neemt ze voor waar, leven ze een eigen leven. Komt hij zijn gedroomde beelden tegen. Niet altijd herkend hij zijn eigen dromen in de beelden. Hij zegt: “Dromen zijn geen bedrog, maar worden een leugen – niet deze van de leugenaar, wel deze van de fantastenaar.”
De dromenaar zoekt nieuwe beelden, vindt soms een nieuw verhaal. Goed geademde verhalen worden al eens legenden of sagen, hardnekkig geademd in vorige tijden: mythen. Die ademnaars worden filosofen of mythenaars. Nooit komen hun adems samen, daarvoor zorgt de wetenschappenaar.
De wetenschappenaar is een soort zeveraar. Hij is de niet wetende ademnaar, op zoek naar nieuwe uit oude adem, zoekt hij het weten zonder het geweten van het weten. Zijn beeldeloze beelden zijn achterhaalde of te achterhalen gedachten van het hoe van de beelden. Hij is de volledig beeldloze ademnaar: ziet nooit de beelden, ademt lucht, is daar fier op. Hij zegt: “Bewijs dat je beelden ademt.” Wie lang wetenschappert wordt onzichtbaar. Ik zeg: “Wie niet weg is, is gezien.”
Daar zijn de vergaderaars! Vergaderaars vergaren andermans klinkers. Maken er met andere medeklinkers hun nieuwe woorden van. Ademen ze de wereld in. Ze ademen zeepbellen met iriserende parelmoerwanden. 't Liefst zien die narcisten hun eigen verbeelde beelden. Wij kennen ze beter als leugenaars. Zij willen het zelf niet weten. Zij hebben ook geen weet van andermans verbeelde beelden: ze kennen maar gestolen klinkers in alsmaar andere verbanden. zij zijn vreemd vervreemd en virtueel.
Daar is de man die zichzelf tegenkwam. Hij verliest zijn medeklinkers af en toe, ademt zijn beeld en het beeld ziet de beeldloze man. Dan komt hij uit bij: “hoe de adems jagen, met vuur en water vechten boven d' aarde.”
Niemand die lacht om de man die zichzelf tegenkwam.

Der zijn gedachten.
Misschien beweeg jij je wel vanuit de heupen spreek je waarachtigheid uit dromen op de kop gezet. Met tegendraadse woorden naai je zon in het voorjaarlicht wanneer de merel fluit naar regen. Speeltijd in het gedacht. Speelt de tijd met het gedacht.
“Jij bent de duivel!” met de klemtoon op “bent,” roept ze hard lachend uit. Wil ik nu ook alles geloven. “Verloochen dan je medeplichtig zijn aan tovenarij!”
Zo, ben je de heks en niet de moeder, naai jij onze wereld vast met borduurdraad roze veelkleurigheid! Plukt ze “Mooi!” een groenzwart platgereden kikker van het pad ”voor het plakboek van weldra” stappen we daar morsig doorheen dat gulzig fluitenkruidaquarel.
Tussen keel en schouder tekent het ragfijn verhaal, kleurlijnen aan elkaar, Het raadsel zit hem in de bocht van de hals, in de houding aangehouden: aan het versmelten van dartelpassen.
In elkeen leeft ze haar droom als schijn, als waar, het waargebeurdig. Zij: ze vlucht het niet.
Zal ik een doosje gedroogde dinsdagse muizen prepareren met rouwblauw touw van de avond eromheen. In elke holte ontstaat zeker leven.
In deze slaap heeft ze achttien jaar oude pijnwoorden uitgesproken, heb ik aanhoord dit verleden, glijd ik uit in een bocht van de nacht. In de ernst van haar spraak klatert buiten water hard op het dak van ons dagelijks brood. Ze heeft mij met een andere naam benoemd die mij nog niet wil kennen, tenzij dit ligt aan de herinnering: het dwingeding.
’s Morgens staat gelukzaligheid aan de ontbijttafel met vers in de hand. Alles schijnbaar weer vergeten de priesteres van de nacht, waar ik in woon, goochelt met aarden ochtendklanken steengoed kommen en metalen messen, scherp gewet op de broodjesplank. Elk spreken kan terug beginnen, na het glad smeren met boter uit het vlootje, zeg ik: “Je bent mijn boterbriefje” met de klemtoon op bent. ”Ik, ik ben van niemand!” zegt ze met twee maal ik in een glimlach. Zo herken ik de vrouw, maar ken haar niet.
“Zij, ze heeft een lieve stem, een zeer lieve stem, een zeer lieve tedere stem, een zeer lieve tere tedere stem.” Breekbaar, bestuift ze het hoosje wind, aan zee. Poederklanken van het windekind.
Jullie: ik word vervoegd met werkwoord. Zij, ze heeft, ze hebben vragen met ogen. Ik, ik heb maar twee ware woorden: ze zijn.
Ze zei: “Ook ik denk zo.” Zij, ze is ook zo. Zij, ze volgen in alles maar anders..
Kinderen van zand, kinderen van zand ze zoeken klepperende klepjes, doosjes met muziek. Ze fluiten op de harde randjes, krassen krasjes in hun huid. Na wit komt het rood, tonen zandkinderen met koude blauwe voetjes. Geeloogjes, waren toen nog niet, pauwoogjes daarentegen …
Wanneer wind opsteekt, was ik mij leeg in lucht, met het zoemen van klanken.
Ze zeggen: “Ben je mens?” met het antwoord in de vraag, pluk ik ook het laatste blaadje in een cirkel op het wit op wit papier.
Ze zeggen: “Je bent maar mens” met de klemtoon op mens: pauwoogjes … doosjes met muziek, kinderen van het zand.
Zullen ze afwezig blijken, aanwezig in de pluimpjes op het wateroppervlak drijvende zondagse bootjes …eentje na eentje met kuikentjes derbij.
|
|
|
|